3. Metrostation Zuidplein

Gekke Koossie

(DE KOMST VAN dION DE wINTER)

   Na wat een eeuwigheid leek verscheen er eindelijk een politiewagen. Carlo zuchtte opgelucht. De surveillanten stapten echter met een verveeld gezicht uit. Ze leken weinig haast te maken want ze trokken beiden op hun gemak eerst een regenjas aan. Vervolgens wisselden ze een veelbetekenende blik met elkaar en liepen toen pas op de bus af. Ze hadden duidelijk een vooroordeel over deze oproep en staken deze niet onder stoelen of banken.            
   De chauffeur leunde geïrriteerd over zijn stuur en wees met een zuur gezicht naar de jonge arts die vanachter een pilaar druk naar de surveillanten stond te gebaren.           
   Carlo stelde zich voor en deed zijn verhaal aan de agent die zich voorstelde als Henk Jaspers. De andere agent hurkte bij de zwerver neer, nog steeds niet goed wetend waarom ze er nu eigenlijk bij geroepen waren. Die zwervers raaskalden altijd maar wat. Er kwam nooit wat zinnigs uit. Hij wendde zijn hoofd iets af, omdat hij onwel werd van de doordringende geur die de man verspreidde en probeerde vervolgens niet door zijn neus te ademen. Dat was moeilijker dan het leek. De vieze lucht leek zelfs via zijn mond naar binnen te komen. De agent draaide zijn hoofd even weg en kokhalsde.    
   Het zien van de man in politie-uniform leek iets bij de zwerver los te maken. Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. Hij pakte de agent plotseling stevig bij zijn jas en begon te jammeren. ‘Dood! Dat monster heeft ze afgeslacht als beesten!’ Tranen lieten vuile sporen achter op zijn gezicht. Hij wees met een trillende hand naar het pand verderop met een typische zwart-wit geblokte muur. ‘Het was de duivel!’   
   De agent schrok van deze plotselinge uitbarsting en maakte met moeite de hand van de zwerver los. Hij ademde beverig uit. ‘Wat is je naam?’       
  ‘Co, Koos, ze… Ze noemen me gekke Koossie.’ De zwerver schudde hapte naar adem en schudde zijn hoofd om de beelden te weren die weer in zijn hoofd opdoemden. ‘Het was de duivel zeg ik je! De duivel!’ Schichtig keek hij naar een pand verderop. De angst was overduidelijk van zijn gezicht te lezen.    
   De agent was alweer van de schrik bekomen en draaide geërgerd met zijn ogen. Het irriteerde hem dat hij zich even had laten meeslepen. Oh shit, weer zo eentje.Helemaal van lotje getikt. Ik zou er bijna in gaan geloven. Hij grimaste. ‘Luister Koos. Zo heet je toch? Mijn naam is Robert Freeke. Deze meneer hier is arts.’ Hij wees naar Carlo. ‘Hij blijft hier bij je, terwijl mijn collega en ik een kijkje gaan nemen. Oké?’ Zonder op antwoord te wachten stond hij op en draaide hij zich om. Hij beval de chauffeur om vooral niet weg te rijden, anders zou hij hem op de bon slingeren. ‘Kom Henk,’ zei hij vervolgens terwijl hij een hoofdbeweging maakte. ‘Laten we maar even een kijkje gaan nemen.’ Een onheilspellend gevoel maakte zich opnieuw van hem meester. Hij slikte en probeerde zichzelf ervan te dat ze toch niets zouden vinden. Die oude man had echter iets bij hem losgemaakt wat hij niet van zich af kon schudden.      
   Hij stapte bij zijn collega in de surveillancewagen en liet de zwerver bij Carlo achter. Ze reden tweehonderd meter verder en parkeerden op de stoep, pal voor de ingang van het voormalige pand van het Leger des Heils. De deur stond op een kier. Op zich was dit niets alarmerends. Misschien dat kwajongens hadden ingebroken en de oude man de stuipen op het lijf hadden gejaagd. Met een verveeld gezicht stapte Henk uit. ‘Straks kapsalon eten?’ vroeg hij aan zijn collega Robert.  
  ‘Hmm, nee. Dit keer neem ik een pizza.’ Robert pauzeerde opzettelijk. ‘Hawaii.’ Hij probeerde luchtig te klinken, maar de zwerver had iets in hem losgemaakt met zijn gebrabbel over de duivel. Dat was hem nog nooit gebeurd. Hij glimlachte gemaakt.            
   ‘Barbaar,’ mopperde Henk en haalde snuffend zijn mouw langs zijn neus, onderwijl zijn verkoudheid vervloekend.          
   ‘Moet je nog honkballen dit weekend?’ vervolgde Robert. Hij begon opzettelijk een gesprek in een poging de steeds strakker wordende knoop in zijn ingewanden de baas te worden.
   Ongeïnteresseerd scheen Henk met zijn zaklamp naar binnen en duwde de deur iets verder open. ‘Nee man. Het seizoen is al een tijdje voorbij. In Maart weer. De kinderen zijn nu op kamp.’    
   Robert volgde zijn collega voorzichtig naar binnen. Een vreemde, misselijkmakende lucht drong zijn neusgaten binnen. Zijn instinct zei hem dan ook dat ze nu moesten omdraaien en moesten maken dat ze wegkwamen. ‘Jezus Henk, ruik je dat niet?’           
   ‘Ik ben strontverkouden,’ snifte Henk en grijnsde bij het zien van het angstige  gezicht van zijn collega. Hij veegde zijn neus opnieuw af langs de mouw van zijn uniform. ‘Er is niets aan de hand. Geloof me nou. Je maakt je druk om niets.’     
   Robert zweeg. Misschien was inderdaad niets. Misschien was het een kadaver van een zwerfhond en maakte hij zich druk om niets. Die stomme zwerver ook met zijn geraaskal. Dit pand werd tenslotte regelmatig gecontroleerd sinds het leeg stond. Hij volgde zijn collega langzaam door een smalle gang die uitkwam in een grotere ruimte. De tussenmuren die eruit waren gebroken, lagen als grote hopen puin tegen de wanden opgestapeld.       
   De penetrante lucht werd sterker naarmate ze verder het pand in liepen. Robert drukte vol walging zijn neus tegen de mouw van zijn jas. Henk deed hetzelfde. Een zeer doordringende lucht begon nu ook zijn neusgaten te beroeren. Hij hapte verbaasd naar lucht en kreeg onmiddellijk spijt, de geur was vreselijk. Het was dan ook onmogelijk om niet te kokhalzen. Misselijk geworden keek hij rond.  
   Een vreemd vaag roze schijnsel trok zijn aandacht. In het midden van de zaal gloeide iets in een immens grote ronde vorm. Het verlichtte de grond op een spookachtige manier. Nieuwsgierig kwamen de agenten dichterbij en lieten het licht van hun zaklampen over de vloer glijden. ‘Godverdomme!’ Geschrokken deden beide mannen een paar stappen achteruit, elkaar hierbij bijna omverlopend.     
   In een roze-paars fluorescerende cirkel lagen vier lichamen. Ze waren van boven tot onder opengesneden. Een deel van de organen hing nog naar buiten, de rest lag verspreid over de vloer. De gezichten waren vertrokken in een angstaanjagende grimas. Alles lag binnen de cirkel; lichamen, organen en een immens grote plas bloed. Hieromheen waren allerlei vreemde symbolen geschreven met het bloed van de slachtoffers. Verder lag er geen druppel. Op de muur stonden kleinere roze-paarse cirkels, die ook leken op te lichten in het donker. Hier waren weer andere symbolen in en omheen getekend. Henk liet het licht van zijn lantaarn over de muur schijnen en deed vol afschuw een stap achteruit. ‘Dit is ziek.’ Hij drukte de rug van zijn hand tegen zijn mond. Voor de symbolen was zo te zien geen verf gebruikt.
   Zoekend keek Henk om zich heen. De lichamen waren vers en duidelijk nog niet in staat van ontbinding. Er moest meer zijn. Hij scheen met zijn lantaarn door de ruimte. In het schijnsel leek het alsof er een donkere gestalte met gloeiende ogen uit de schaduw tevoorschijn kwam.
   Robert liep geschrokken naar achteren en trok Henk aan zijn jas mee. ‘Ik blijf hier niet langer. Kom mee, man. Daar zijn andere teams voor.’
   Henk knikte geschrokken en ademde diep in. Die zwerver had gelijk. Die duivel waar hij zo over bazelde was zelfs nog hier! De mannen haasten zich naar buiten. Buiten keek Henk Robert met een verontrustte blik aan. ‘Robbie, waarschuw jij moordzaken,’ hijgde hij ontdaan. Shit! Die ouwe gek had verdomme gelijk. ‘Shit!’ mompelde hij hardop. ‘Shit!’
   Terwijl Robert naast hem contact zocht met het bureau, reed Henk met kloppend hart terug naar de zwerver op het busstation. Hij zou nooit meer zeuren over saaie nachtdiensten, dat was één ding dat zeker was.