2. Bovennatuurlijk weer teistert Rotterdam

Heden

(de komst van dion de winter)


God leek de Rotterdamse havenstad een zondvloed aan te willen doen. Omdat het water in de Rotterdamse haven herhaaldelijk buiten zijn oevers trad, liepen de straten aan de Boompjes en de Maasboulevard de laatste tijd geregeld onder water. Kleine uitlopers van de rivier, waaronder het Boerengat en Buizengat, nog geen blok verder, waren ook al een paar keer buiten hun oevers getreden. Dit was nog nooit gebeurd. Ondernemers moesten noodgedwongen hun zaak sluiten. Dit gebied was alleen nog toegankelijk voor bewoners. Mensen trokken echter zelf weg omdat in hun woningen de situatie onleefbaar waren geworden. Het vocht dat de muren introk zorgde ervoor dat er een rijke variëteit aan schadelijke schimmels kon groeien. De mensen in flats en bovenwoningen waren het zat door het kniehoge water te moeten waden om bij de trap in het portiek te komen.  
   Ook in alle andere wijken van Rotterdam was het een complete chaos. De stad werd namelijk al weken lang geteisterd door hevige regen- en onweersbuien die gepaard gingen met vernietigende blikseminslagen. De wind, die geregeld aanzwol tot orkaankracht, rukte vele bomen met wortel en al uit de grond alsof het niets was. De gemeentereinigingsdienst had moeite de wegen vrij te houden van al deze bomen en afgerukte takken. De giften van moeder natuur waren nog niet weggeruimd of men kon weer opnieuw beginnen. Het noodweer zorgde er zelfs voor dat complete daken werden afgerukt en dat dakpannen als projectielen door de lucht werden geslingerd, hierbij schade aanrichtend aan auto’s en ramen van kantoorpanden,  woningen. Er werd via radio en televisie aangeraden beslist niet naar buiten te gaan als het niet nodig was.      
   De rest van Nederland had echter weinig te lijden van het noodweer. Het leek zich puur en alleen in en rond de havenstad  te concentreren. Er werd dan ook alleen een weeralarm afgegeven voor de stad Rotterdam: Code rood. Met uitroeptekens! Er werd zoveel mogelijk opgeroepen om thuis te blijven maar mensen moesten ook gewoon aan het werk. Je kon ze niet eeuwig tot hun woning verdoemen. Men wilde weg. De stad uit! Naar vrienden of familie.
   Overdag zaten de randstadrail, de metro’s en de bussen van de RET die wel reden dan ook overvol. Reizen met het openbaar vervoer was daardoor nu echt een lijdensweg, maar met de auto was er in bepaalde gebieden al helemaal geen doorkomen aan. Zelfs sommige stukken van de Randstadrail waren afgesloten. Alleen de gedeeltes hoog boven de grond functioneerden nog redelijk.    
   Men stond op elkaar geprakt als sardientjes in een blik. Voor enige persoonlijke ruimte was geen plaats meer. Lichaamsgeuren en slechte hygiëne werden aan medereisgenoten opgedrongen, er was geen ontsnappen aan. ’s Avonds laat was de metro weliswaar zo goed als leeg, maar het reizen was nog steeds geen pretje. De passagiers in de spits, die tegenwoordig langer en langer duurde, hadden hun vieze sporen achtergelaten.
    Een van de reizigers die de drukte van de avondspits net had kunnen ontlopen was Carlo de Weerd. Carlo was een vooraanstaand cardioloog in het Sint Franciscus ziekenhuis in Rotterdam en reisde noodgedwongen met openbaar vervoer. Zelfs op dit late uur was het nog belachelijk druk naar zijn maatstaven. Hij zuchtte. Hij had een bloedhekel aan reizen met het openbaar vervoer en miste de comfort van zijn luxe BMW. Maar nu de Maastunnel en meerdere wegen rondom het ziekenhuis waren afgesloten vanwege de overstromingen door de aanhoudende slagregens van de afgelopen weken en het verkeer op de ring Rotterdam een steeds grotere chaos werd, had hij de afgelopen twee weken in het ziekenhuis overnacht, om niet heen en weer te hoeven reizen in die ravage. Hij zat hier nu omdat hij toe was aan wat tijd voor zichzelf. Hij nam zich voor om straks eerst eens een paar dagen gaan slapen.        
   Vermoeid staarde hij voor zich uit in een vergeefse poging zijn schuldgevoel te onderdrukken. Hij hoorde hier niet te zijn! Ze hadden hem nodig. Er waren nog steeds zieken. Het stijgende water had ervoor gezorgd dat het ongedierte dat zich normaal ophield in de riolen ook vrij spel had gekregen, met alle gevolgen van dien. Als hij niet opereerde ondersteunde hij de eerste hulp dan ook waar hij maar kon. Hierdoor balanceerde hij al een tijdje op het randje van uitputting. Hij had die dag met succes een hartoperatie uitgevoerd. Het was niet zijn eerste, en als het aan hem lag ook zeker niet zijn laatste. Toch was het vandaag bijna fout gegaan. Hij gaapte.        
   Hij wilde zijn reputatie wel hoog blijven houden, maar dat was onmogelijk als hij uitgeput zijn werk moest doen. Zijn ogen brandden van vermoeidheid. Hierdoor wist hij dat hij zo niet verder door had kunnen gaan. Het was, of weer net als vroeger Modafinil gaan slikken, of naar huis gaan en slapen. Aarzelend had hij gekozen voor het laatste. Het medicijn dat er voor zorgde dat hij langer wakker kon blijven en zich beter kon focussen had hem namelijk zijn huwelijk gekost en als hij niet was afgekickt had het ook zijn carrière kunnen verwoesten.
   Hij had dagelijks de verantwoordelijkheid van een mensenleven in handen. Dat gaf hem soms het gevoel van een almachtige God. Ondanks dat, vreesde hij iedere keer weer dat hij een gruwelijke fout zou maken. Een fout die één van zijn patiënten fataal zou worden. Dat was zijn grootste angst: dat iemand onder zijn handen zou sterven.           
   Natuurlijk had hij door de jaren heen had hij meer en meer zelfvertrouwen gekregen. Tegenwoordig kwam men zelfs vanuit het hele land naar hem toe als er een zeer delicate operatie uitgevoerd moest worden. Hij werd gezien als één van de meest vooraanstaande artsen in zijn vakgebied en werd geroemd tot ver buiten Europa. Hij wist wel dat er achter zijn rug om werd geroddeld, dit deed hij af als jaloezie. Hierdoor werd hij wel harder naar de buitenwereld. Hij kon niet toestaan dat dit zijn werk als chirurg op eniger wijze zou beïnvloeden. Toch was er altijd die sluimerende angst aanwezig dat hij een ernstige fout zou maken.         
   Zuchtend legde hij zijn hoofd in zijn nek en staarde omhoog. Ja, het was goed dat hij even een pauze nam van zijn werk. De adrenaline in zijn bloed liet dalen. Opgelucht voelde hij dat de metro vaart begon te minderen. Zodra de metro stopte bij station Rotterdam Zuidplein stapte hij snel de stinkende coupé uit en ademde opgelucht een paar keer diep in en uit. Vrij! Hij keek vluchtig op zijn horloge en haastte zich vervolgens over het perron in de richting van de trappen die hem naar de begane grond zouden leiden. Als hij niet opschoot, mistte hij straks nog zijn aansluiting. Waarom was hij dan ook zo laat vertrokken?         
   Hij keek weer op zijn horloge. Het was gelukkig rustig op het busstation. De spits was al lang voorbij. Winkelcentrum Zuidplein was inmiddels gesloten. Mensen trokken zich weer terug in hun huizen, nuttigden waarschijnlijk een maaltijd, keken tv en gingen naar bed, waarna de volgende dag alles weer opnieuw zou beginnen. Normaal dacht hij hier niet eens over na, maar nu hij zich weer buiten de muren van het ziekenhuis begaf kon hij niet helpen na te denken over de zin van het bestaan. Mensen gedroegen zich als gekooide ratten. Iedere dag deden ze weer dezelfde trucjes, gingen eten en vervolgens slapen. Maar deed hij dat zelf ook niet? Zijn programma verschilde van de meeste mensen, maar het bleef dag in, dag uit wel hetzelfde trucje dat hij uitvoerde. Misschien zaten ze wel in een soort Matrix. Gedoemd tot het uitvoeren van een vooraf geprogrammeerd draaiboek zonder enige vrije wil.  
   Carlo werd zo in beslag genomen door zijn eigen gedachten, dat het hem niet eens was opgevallen dat de wind was gaan liggen. De slagregen was gereduceerd tot een fijne motregen. Peinzend liep hij de trap af en ging de hele operatie van vandaag nog eens na. Oververmoeid een zeer delicate operatie uitvoeren was niet alleen gekkenwerk geweest. Het was ook zeer onverantwoordelijk. Dat kon nooit geprogrammeerd zijn geweest. Daarvoor had het veel te echt en te angstaanjagend aangevoeld.   
   Op het moment dat er een complicatie was opgetreden was hij zich dondersgoed bewust van de ernst van de zaak. Doordat het hart begon te fibrilleren op het moment dat het de taak van de hart-longmachine weer over moest gaan nemen begon bij hem de adrenaline zijn werk te doen en kon hij zich weer beter focussen. Van buiten ijzig kalm en alert had hij het hart een schok met de defibrillator gegeven, waarna het weer in het normale ritme begon te kloppen. Al snel bleek dat niet de enige complicatie te zijn. De bloeddruk was plots sterk gedaald. Het was een kwestie van seconden, waardoor hij onmiddellijk moest handelen.   
   Carlo was ijzig kalm gebleven. De patiënt ging terug aan de hart-longmachine, hij ging op zoek naar de oorzaak. Het bleek een slagaderbreuk te zijn die normaal gesproken nooit op tijd gevonden zou zijn. Tijdens de overschakeling van de hart-longmachine naar het eigen hart was de wand van de aorta bezweken. Dankzij zijn snelle handelen had de patiënt het overleefd. Hij had een ijzersterk en goed op elkaar ingewerkt team, dat was vandaag wel weer gebleken. Maar het was tot hem doorgedrongen dat hij zo niet verder kon gaan. De man had het ternauwernood overleefd. De volgende keer kon het weleens minder goed aflopen.           
   Midden op de trap keek hij weer op zijn horloge, aandachtiger dit keer: Het was tien voor twaalf! Verdomme. Met een beetje geluk was de laatste bus nog niet vertrokken, anders moest hij een taxi nemen. En die waren erg schaars tegenwoordig. Onderaan de trap ging Carlo linksaf en zochten zijn ogen automatisch naar de juiste halte. Goddank! Hij had mazzel, bus 70 stond er nog. Het kwam regelmatig voor dat de bussen gewoonweg te vroeg vertrokken. Niet iedere chauffeur hield zich strikt aan het dienstrooster. Dat had hij in zijn studententijd vaak genoeg ondervonden. Hij versnelde zijn pas. Hijgend kwam hij bij de bus aan.    
   Vlak voordat hij wilde instappen, hoorde hij verderop een vreemd gejammer. Zijn instinct zei hem dat hij gewoon moest instappen, maar de immer aanwezige arts in hem was sterker; hij moest zien waar het vandaan kwam en of de persoon in orde was.           
   ‘Eén momentje, chauffeur. Ik hoor iets!’     
   De chauffeur keek geërgerd en tikte demonstratief op zijn horloge. ‘Wat jij wilt, makker. Je hebt nog precies vierenhalve minuut.’    
   Carlo knikte en ging op onderzoek uit. Haastig volgde hij het geluid van het gejammer. Hij hoefde echter niet ver te zoeken. Aan de andere kant van een van de betonnen pilaren die het metrostation ondersteunden trof Carlo een haveloze man aan. De arme ziel zat in elkaar gedoken te wiegen. Er was geen Einstein voor nodig om te weten dat deze man noodgedwongen door de regen had gelopen. Hij was volledig doorweekt. Met dit weer ging toch niemand vrijwillig naar buiten.   
   Zo te zien, en ook zeer zeker te ruiken, was het een aan alcohol verslaafde zwerver. De man was gekleed in kapotte vieze kleding en stonk naar verschraald bier, uitwerpselen en oud zweet. Carlo probeerde de vreselijke geur te negeren die de arme ziel verspreidde en hurkte bij hem neer. Hij drukte de rug van zijn hand tegen zijn neus.           
   De man bleef één zinnetje jammerend herhalen terwijl hij met lege ogen in de verte staarde: ‘Ze zijn dood… Ze zijn allemaal dood… Zoveel bloed.’     
   Carlo onderzocht de man snel en oppervlakkig terwijl de dakloze maar bleef murmelen. “Dood… Ze zijn dood.” Instinctief wist Carlo dat de man niet zat te bazelen. Hij voelde het diep van binnen. De onrust zwol op tot ongekende grootte en bezorgde hem een misselijkmakend gevoel. Terwijl zijn hart wild begon te kloppen probeerde hij kalm te blijven en zijn werk te blijven doen. Dit kon hij. Hij was tenslotte arts.        
   Op het eerste gezicht kon Carlo geen uitwendig letsel vinden. De ogen van de zwerver waren bloeddoorlopen, wat ongetwijfeld door drankmisbruik kwam, en bleven in het niets staren. Carlo stond op en liep terug naar de bus. Onwillekeurig veegde hij zijn handen af aan zijn broek.
   Hij riep de chauffeur die vermoeid voor zich uit zat te staren. ‘Vraag de centrale om hulp! Of de politie.’ Carlo keek weer naar achteren en knikte heftig. ‘Ja, de politie! Die man is duidelijk in shock.’ Carlo wees met een trillende hand over zijn schouder naar achteren. ‘Geloof me. Er is hier iets goed fout.’        
   De chauffeur trok een lelijk gezicht. ‘Laat toch zitten! Het is maar een zwerver.’ Hij keek weer op zijn horloge en tikte er weer op. ‘Nog twee minuten, dan vertrek ik.’
   Carlo twijfelde. ‘Luister! Er is iemand vermoord.’ Tenminste, dat denk ik. ‘Die man heeft het alsmaar over bloed en dat iedereen dood is. Ik ben een arts, en ik zeg je dat hij in shock is door iets wat hij gezien heeft. Er moet iemand komen.’        
   Zuchtend zocht de chauffeur contact met de centrale. ‘Hier heb ik zó geen zin in,’ mompelde hij voor zich uit. Daar gaat mijn nachtrust. Verdomde bemoeial, had die uitvreter toch laten zitten.