1.Killer FOG

Oud en Nieuw 1992 – 1993

(de komst van dion de winter)

Anne Sommer keek teleurgesteld naar buiten. Somber deed ze een stap terug. Ze had gehoopt dat de mist inmiddels wel zou zijn opgetrokken. Na oud en nieuw te hebben gevierd bij haar familie waren ze vanwege de snel opkomende mist gestopt bij hun favoriete rockcafé aan de Carnissesingel in Rotterdam Zuid. Ze beet op haar lip. De situatie was uitzichtloos. Het zat potdicht. Je kon nog geen meter vooruit kijken en ze moesten nog zeker een paar kilometer rijden.
   ‘Waarom wil je nu al weer weg?’ snauwde haar vriend Arthur. ‘We zijn er net. Heb je niet altijd wat te zeuren?’ Hij duwde haar opzij. ‘Jezus, Anne. Moet je kijken wat een mist! Het is trouwens veel te gevaarlijk om in dit weer te rijden. We kunnen beter nog een biertje pakken. Misschien dat het straks opklaart.’ Hij keek haar uitdagend aan.    
   Anne schudde haar hoofd. ‘Sorry. Alsjeblieft Arthur, ik merk dat ik moe begin te worden. Ik ga naar huis. Jullie kunnen wel blijven als je wilt.’ Ze perste er een glimlach uit en hoopte dat hij rustig zou blijven. De waarheid was dat ze geplaagd werd door een onrust die met de minuut sterker werd. Ze had het gevoel dat er gevaar dreigde. Een gevaar dan groter was dan de vuisten van haar vriend.       
   ‘Nee!’ zei Arthur beslist. ‘Verdomme. Stop met zeiken! Je verziekt de boel weer zoals gewoonlijk. Normaal zijn ze nooit zo lang open, dus ik wil er zolang mogelijk van kunnen genieten.’           
   ‘Wat is er?’ Eduard Sommer sloeg zijn arm om zijn tweelingzus heen en nam Arthur vijandig op waarna hij zijn blik weer op Anne richtte. ‘Je ziet er, ehm, gejaagd uit.’           
   Anne grimaste weer. ‘Het is niets. Ik ben alleen moe,’ zei ze onzeker. Ze wreef bemoedigend over zijn arm. Hoe kon ze hem uitleggen dat ze zich bedreigd voelde? Ze was hier in haar favoriete rockpodium met allemaal bekenden om zich heen. Er was niemand die agressief gedrag vertoonde. Op Arthur na dan, maar dat was niet vreemd. Niets leek erop dat er iets naars ging gebeuren en toch kon ze het gevoel van naderend onheil niet van zich afzetten.
   Eduard pakte Arthur beet en duwde hem voor zich uit naar binnen. ‘Je hoorde wat Anne zei. Ze is moe en wil naar huis. Zoek Natas en Laurens, we gaan!’ 
   Anne zuchtte en wreef over haar voorhoofd. Onzeker liep ze achter haar broer aan, hopende dat de rest niet al te boos op haar zou zijn.         
   ‘Je jas, meissie.’ Laurens keek haar met een troebele blik aan. Wankelend hield hij het kledingstuk omhoog. Waarom kon ze niet verliefd worden op iemand als Laurens? Ze viel altijd voor de verkeerde. Glimlachend pakte ze haar jas aan. Maar goed, Laurens was ook niet perfect. Dat wist ze al jaren. Ze kende hem immers al haar hele leven. Samen met Eduard waren ze vanaf jongs af aan bevriend. Zeg maar gerust onafscheidelijk.          
   ‘Het zint me niet dat jij nu moet rijden,’ mompelde Laurens met dikke tong. ‘Dit is levensgevaarlijk.’ Hij maakte een zwaaiende beweging met zijn arm waardoor hij bijna omviel.  
   Anne trok een gezicht. ‘Hoe zou je het dan willen doen? Jullie hebben allemaal gedronken en Natas heeft haar rijbewijs nog niet. Het is niet anders.’      
   ‘We kunnen bij Eduard crashen?’ stelde Arthur voor. ‘Dat is vlakbij.’ Boos keek hij zijn vriendin aan, haar met zijn ogen uitdagend tegen zijn voorstel in te gaan.     
   ‘Nee,’ gromde Eduard. Zijn blik verharde zich. ‘Dat. Kunnen we niet,’ zei hij langzaam.      
   Arthur snoof beledigd. Zwijgend volgde hij Anne naar haar auto. Zijn ogen vernauwden zich toen hij zag dat Eduard op de bijrijdersstoel ging zitten. Geïrriteerd stapte hij achterin waar Laurens en Natascha inmiddels ook waren gaan zitten. Hij had er een bloedhekel aan dat anderen zo dicht tegen hem aan zaten. Gedurende de rit naar Schiedam hield hij zijn blik dan ook strak gericht op Anne. Hij was woest. Zij had hier wat van moeten zeggen! Hij hoorde naast haar te zitten! En waarom reed haar broer in Godsnaam mee? Zijn loods was hier vlakbij. Hij had makkelijk kunnen gaan lopen.    
   Eduard boog zich wat meer naar Anne toe, alsof hij haar zo kon beschermen tegen de priemende blik van Arthur. Hij had diens ongenoegen opgepikt en besloten dat hij beter met hen mee naar huis kon gaan, anders zou zijn zus het weer moeten ontgelden.      
   Omdat ze zich moest concentreren op de weg en het verkeer had Anne weinig tot geen besef van de koude oorlog die om haar heen werd gevoerd. Het zicht was namelijk minder dan twee meter. In de hoop dat daar het zicht beter zou zijn nam ze de afslag naar de snelweg. Ook daar was het echter hopeloos, al leek de mist hier en daar soms wat dunner te worden. Ze bewoog haar hoofd herhaaldelijk van links naar rechts om haar spieren op te rekken. Haar schouders en nek pijn begonnen te doen omdat ze verkrampt achter het stuur zat. Het was een uitputtende rit. Ondanks dat ze buitengewoon langzaam reed en goed oplette, reed ze op een paar honderd meter afstand van de Benelux tunnel tot haar grote schrik toch bijna een politieagent aan. De man stond midden op de snelweg en zwaaide met een mistlamp om aankomend verkeer te waarschuwen. Hij maande haar te parkeren op een afgezet stuk van de weg dat met grote lampen werd verlicht.     
   Anne draaide met wild kloppend hart haar raampje naar beneden en hoorde de agent aan.
   ‘Goedenavond. U reed veel te hard. Dat is onverantwoordelijk met dit weer. Daardoor heeft u waarschijnlijk eerdere waarschuwingen gemist.’
   Anne wilde haar mond opendoen en zeggen dat het onmogelijk iets te zien vanwege de dichte mist. De agent liet haar er echter niet tussen. Hij snifte. ‘Heeft u gedronken?’   
   Ze schudde haar hoofd. ‘Nee. De rest wel.’         
   ‘Ik wil u toch even laten blazen. Momentje alstublieft.’     
   Arthur vloekte hartgrondig.
   Terwijl de agent Anne liet blazen ging hij verder met zijn monoloog, Arthur negerend. ‘De rechter tunnelbuis is afgesloten vanwege een zeer ernstige kettingbotsing. Er zijn ook een aantal auto’s in brand gevlogen.’ Hij bekeek het resultaat. ‘Netjes. Inderdaad niet gedronken.
   ‘Dat zei ze toch, klootzak,’ tierde Arthur van de achterbank. Eduard draaide zich bliksemsnel om en keek hem aan met een ijzige blik waardoor Arthur geschrokken inbond.           
   De agent wenste haar een veilige reis naar huis, en liep terug naar de tunnelbak.           
   Ze zag het pas toen ze de agent nakeek. Ze wist niet wat het was, maar ze kon haar ogen er niet van afwenden. Er doemde iets op uit de rook en mist bij de andere tunnelbak wat onmogelijk menselijk kon zijn. Onnatuurlijke ogen gloeiden op en leken naar haar te staren. Langzaam kwam het steeds dichterbij.          
   Eduard stootte zijn zus aan. ‘Kom op, zus. Rijden. Anders klapt er straks nog iemand bij ons achterop.’      
   Anne schrok op en knikte. Toen ze weer naar de plek keek waar ze net een schim in de mist had gezien, was het verdwenen. Ze moest het zich verbeeld hebben dat kon niet anders. Ze schudde haar hoofd. Het was vast de vermoeidheid, hierdoor ging ze rare dingen zien. Reden te meer om nog voorzichtiger te rijden dan ze al had gedaan.